Onderzoek naar de Europees rechtelijke aspecten van Concurrerende Zorgverzekeraars en een Wettelijk Stelsel van Sociale Zekerheid

(Universiteit van Tilburg, TRANZO, 2002 ) In dit rapport wordt onderzocht in hoeverre een zorgstelsel dat als een stelsel van sociale zekerheid wenst te worden aangemerkt, kan worden georganiseerd via concurrerende zorgverzekeraars. Juridisch is het altijd mogelijk om de concurrerende zorgverzekeraars toe te laten of te introduceren. Het wordt Europees rechtelijk ingewikkeld als men tegelijkertijd wil dat deze zich houden aan de regels van het stelsel die slechts een beperkte mate van concurrentie toestaan en ook (een zekere mate van) inkomenssolidariteit en (een zeer grote mate) risicosolidariteit wil veiligstellen. Het Europees recht lijkt slechts twee smaken te kennen, namelijk of een stelsel van sociale zekerheid dat wordt uitgevoerd door organen die geen of nauwelijks eigen beleidsruimte hebben of ondernemingen waarvoor dan de bepalingen omtrent vrij verkeer en mededinging gelden, die slechts in beperkte mate sturing door de overheid toelaten.

De conclusie is dat een zodanig verenigen van ‘het beste van twee werelden’ niettemin binnen zekere nauwe grenzen mogelijk is. Een van de voorwaarden is dat uitsluitend zorgverzekeraars zonder winstoogmerk worden toegelaten.

Beter gezondheidsrecht – enkele beschouwingen naar aanleiding van Goed recht

In: J.C.J. Dute, J.K.M. Gevers, G.R.J. de Groot (red.) Omzien naar de toekomst, 35 jaar preadviezen voor de Vereniging voor Gezondheidsrecht, Bohn, Staleu, van Lochum, Houten, Diegem, 2002, p. 21-44.
Een leuk verhaal, al zeg ik het zelf. Het te bepreken preadvies van Legemaate was dermate breed dat het aanleiding kon geven tot uitvoerige beschouwingen over het gezondheidsrecht. Bovendien zette dit preadvies mij op het spoor van een benadering waarin de normen uit de praktijk een plaats kunnen krijgen. Onder meer wordt ingegaan op de evaluaties van de wetgeving omtrent patiëntenrechten die de laatste jaren is verschenen. Ik ben daar niet zo positief over. Uit de WGBO evaluatie zou onder meer naar voren komen dat hulpverleners de WGBO normen omtrent privacy niet hebben begrepen en dus moeten worden (her)opgevoed. Met ruime subsidies van VWS is dat inmiddels ook in gang gezet. Ik doe daar niet aan mee.

Tegenover de nogal klakkeloze conclusies van de auteurs van de evaluatiestudie plaats ik een andere conclusie. Bij het gegeven voorbeeld: hulpverleners gaan kennelijk uit van een andere norm omtrent het beroepsgeheim. Die betekent dat gegevens omtrent de patiënt nimmer buiten de gezondheidszorg bekend mogen worden maar dat binnen de gezondheidszorg verkeer van patiëntengegevens gemakkelijker mogelijk moet zijn dan de normen van de WGBO zouden wensen. De onderzoekers miskennen deze inherente normativiteit van het beroep. Zij gaan daarom al helemaal voorbij aan de vraag waarom dat een minder juiste opvatting zou zijn en blijven steken in eerder ingenomen (er is nu niet bepaald een onderscheid tussen onderzoekers in het kader van de evaluatie en adviseurs dan wel auteurs rond de totstandkoming van de WGBO) standpunten.